Door Martin Janssen

Het land was in een geweldsspiraal terechtgekomen die ieder sprankje hoop op een vreedzame oplossing verduisterde. Na 21.00 uur s’avonds oogden de straten van Damascus vreemd en bijna spookachtig leeg omdat de angst hoogtij vierde en de mensen zich verscholen binnen de veilige beschutting van eigen woning.

Lente
De afgelopen dagen is het echter plotseling lente geworden met zonnestralen die zowel straatstenen als mensenharten streelden en Damascus leek haar oude trotse glorie te hebben hervonden: overal overvolle terrassen en mensenmassa’s die genietend kuierden over de ontelbare promenades.

Het was in deze sfeer van voorzichtig optimisme en hoop dat het vredesplan van Kofi Annan in werking trad dat, indien door alle partijen geïmplementeerd, een reëele en waarschijnlijk de énige kans biedt op een uitweg in de Syrische nachtmerrie. Het uit zes punten bestaande plan van Kofi Annan kiest duidelijk voor een politieke oplossing waarbij, na een démilitarisering van het conflict, regering én oppositie via de onderhandelingstafel een voor alle partijen aanvaardbare oplossing zoeken.

In tegenstelling tot een eerdere resolutie van de Veiligheidsraad, die getroffen werd door een dubbel Russisch-Chinees veto, wordt in het plan van Annan niet geëist dat de Syrische president aftreedt maar wordt van hem integendeel verwacht dat hij de komende onderhandelingen gaat leiden en presideren.

Kaarten
Probleem hierbij is dat dit duidelijk niet de wens is van althans een deel van de oppositie en een aantal van haar regionale beschermheren zoals Turkije, Qatar en Saoedie-Arabië, die sinds maanden duidelijk hun kaarten hebben gezet op het ten val brengen van het Syrische regime om redenen die waarschijnlijk weinig van doen hebben met enthousiasme voor democratie of bezorgdheid voor de mensenrechten.

Turkije voert sinds maanden een bloedige strijd in de oostelijke, voornamelijk door Koerden bewoonde provincies en bombardeert regelmatig stellingen in Irakees Koerdistan waarvan vele onschuldige burgers het slachtoffer worden. Deze grensoverschrijdende acties zijn in strijd met het internationale recht, maar worden gelegitimeerd als acties tegen de terroristische PKK.

Terwijl Qatar en Saoedie-Arabië in eigen land oproepen tot politieke hervormingen, oftewel smoren of afkopen met oliedollars, en er niet voor terugdeinsden om de soennitische al-Khalifa dynastie in Bahrein militair bij te staan bij het hardhandig neerslaan van een overwegend vreedzame protestbeweging van de sjiietische meerderheidsbevolking in dit land.

De Bahreinse crisis is trouwens de afgelopen dagen weer in volle hevigheid opgelaaid. De Golfstaten vermoeden hierin – terecht of ten onrechte – de hand van het gevreesde Iran en hoge functionarissen uit de Golfstaten hebben de afgelopen tijd herhaaldelijk verklaringen afgelegd waarin ze iedere buitenlandse (lees: Iraanse) inmenging in de interne affaires van de soennitische Golfstaten afwijzen en veroordelen. Tegen deze achtergrond is de vraag gerechtvaardigd waarom diezelfde Golfstaten dit principe blijkbaar niet van toepassing vinden op Syrië.

Onrust
Toen in december 2010 de Arabische onrust begon in Tunesië, om vervolgens al snel ook Egypte in zijn greep te krijgen, werden zowel het westen als de Arabische Golfstaten onaangenaam verrast. In recordtempo moesten Ben Ali en Hosni Mubarak het veld ruimen en het westen zag zich gedwongen dit toe te juichen, alhoewel zowel Ben Ali als zijn Egyptische collega decennialang trouwe westerse bondgenoten waren geweest.

In de Arabische Golfstaten (minus Qatar) keek men ondertussen tandenknarsend toe omdat men enerzijds vreesde dat de onrust ook hun gebieden zou bereiken en anderzijds zowel Ben Ali als Hosni Mubarak onwankelbare steunpilaren waren geweest van het Arabische anti-Iran front. Vandaar dat de mullahs in Teheran tevreden claimden dat de demonstranten in Tunis en Cairo werden geïnspireerd door de Iraanse revolutie van 1979. Verbloemend taalgebruik mocht niet verhullen dat de omwentelingen in Tunesië en Egypte een gevoelige klap uitdeelden aan de westerse alliantie met de landen van de Gulf Cooperation Council. Het leek 2-0 voor Iran, wat schreeuwde om revanche.

Niet immuun
Die mogelijkheid deed zich opeens voor toen tot ieders verbazing in maart 2011 bleek dat ook het ontoegankelijke Syrië niet immuun was voor de Arabische onrust. Aanvankelijk stelden zich zowel het westen als de Arabische Golfstaten uiterst terughoudend op, omdat men zich bewust was van de gevaarlijke en explosieve religieuze en ethnische samenstelling van Syrië. De burgeroorlog in Irak na 2003 zou verbleken bij de mogelijke regionale repercussies van een implosie of explosie van deze Syrische maatschappelijke cocktail.

Toen de Syrische crisis echter maar voortzinderde, begonnen vooral de Arabische Golfstaten een kans te ruiken om via het ten val brengen van het Syrische regime een daverende klap toe te brengen aan het gehate maar gevreesde Iran. Toen deze Syrische crisis in de loop der maanden bovendien een steeds sektarischere dimensie kreeg, begon men tevens – net als Turkije – de soennitische kaart te spelen, omdat de meerderheid der demonstranten in Daraa, Homs en Idlib van soennitische huize was.

Via Arabische satellieten begonnen soennitische clerici de jihad uit te roepen tegen het ongelovige Alawitische regime in Damascus. Ayman al-Zawahiri, de leider van al-Qaida, voegde zich enthousiast in dit koor.

Koffers pakken
Wie echter vanaf het begin enige kennis had van de cohesie, machtsbasis én aanhang onder de bevolking (om welke reden dan ook) van het Syrische regime wist dat Bashar al-Assad bepaald geen Ben Ali was die na twee weken zijn koffers zou pakken. Persoonlijk heb ik tijdens het schrijven van vele artikelen over Syrië gemerkt dat velen deze boodschap onaangenaam vonden omdat men de gebeurtenissen in Syrië vaak eerder leek te bezien via een ideëele bril dan door een realistisch prisma.

Wat ons uiteindelijk april 2012 tot het vredesplan van Kofi Annan brengt, dat als basis de impliciete erkenning van bovenstaande realiteit heeft. Dit brengt echter alle regionale landen die al hun troeven hadden gezet op de val van het Syrische regime in ernstige verlegenheid, want hoe zullen hun toekomstige relaties zijn met de regionale zwaargewicht Syrië? Berichten over financiële en materiële steun aan de gewapende Syrische oppositie zijn in dit licht niet hoopgevend.

Plan van Kofi Annan
Toch dient met name Europa zich vierkant op te stellen achter het plan van Kofi Annan, omdat een vreedzame oplossing van de Syrische crisis dringend noodzakelijk is. In Noord-Afrika stevent Egypte af op grote politieke onrust, terwijl de Libische crisis nu reeds voor grote problemen zorgt in de landen van de Sahel. Meer oostwaarts zitten de Arabische Golfstaten ingekneld tussen de aanhoudende onrust in Bahrein en de totale chaos in Jemen waar al-Qaida in het zuiden steeds meer veld lijkt te winnen, met alle mogelijke toekomstige gevolgen voor het internationale olietransport.

Terwijl bovendien de voortdurende berichten over een op handen zijnde Amerikaanse of Israëlische aanval op Iran als een spookbeeld over de regio hangen. In een dergelijke complexe regionale situatie kan de wereld het zich eenvoudigweg niet veroorloven dat ook Syrië ten onder gaat in jarenlange chaos met alle catastrofale consequenties voor de gehele Levant.