Nieuws10 sep '12 14:40

TV kijken zit ook in je genen

Auteur: Pieter van den Akker

Genen hebben invloed op de tijd die jongeren besteden aan activiteiten als tv kijken en surfen op het web. Dat blijkt uit onderzoek van het VU Medisch Centrum, waaraan ruim 5000 tweelingen hebben meegedaan.

Bepaalde genen bepalen een 'genetische neiging' tot zittende activiteiten, zo is duidelijk geworden. Maar volgens Saskia te Velde, onderzoeker aan het VU Medisch Centrum in Amsterdam, is het te kort door de bocht om te zeggen dat jongeren nu de perfecte smoes hebben om te luieren. "Dat hebben we niet ook duidelijk wíllen maken en dat komt niet uit ons onderzoek", vertelde zij maandag op BNR.

Thuisomgeving
Door tweelingen van het Nederlandse Tweelingregister met elkaar te vergelijken, met name eeneiigen en twee-eiigen, zijn de onderzoekers tot de volgende conclusie gekomen. Te Velde: "We zien dat ongeveer 30 procent verklaard kan worden door het hele genenpakket. Maar dan blijft er nog een heleboel over. Met name bij kinderen tussen de 12 en 15 jaar blijkt de thuisomgeving heel belangrijk."

Ouders hebben wel degelijk invloed op het gedrag van hun kind, vervolgde Te Velde. "Ook als ze uit zichzelf, door hun genen, meer neiging hebben om tv te kijken, kunnen ouders door middel van regels of goed eigen gedrag - geen tv op de eigen kamer- er wel voor zorgen dat het binnen de perken blijft."

Roken
Dus de genen vallen met opvoeding nog een beetje te corrigeren? "Zo kan je het wel zeggen", beaamde de onderzoekster. "Sommige kinderen hebben meer aanleg, maar dat wil niet zeggen dat je er dan maar niets aan moet doen. Dat geldt voor meer gedrag van ons. Sommigen hebben meer aanleg om te gaan roken, maar ook daar geldt dat dat niet betekent dat je er maar niets aan moet doen."

Over de manier waarop zij en haar collega-onderzoekers te werk zijn gegaan, vertelde Te Velde: "Je kan door middel van computermodellen het gedrag van de kinderen vergelijken. We weten dat eeneiige tweelingen genetisch precies hetzelfde zijn. Twee-eiige tweelingen niet, maar wel voor 50 procent. Dan kan je er berekeningen op los laten, ook met gegevens van broertjes en zusjes. Met modellen kan je berekenen hoeveel door het genenpakket verklaard kan worden, hoeveel door de unieke omgeving en hoeveel door de gezamenlijke omgeving."


Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen