BNR In Alle Staten13 jun '16 13:35Aangepast op 15 jun '16 16:46

Vermont: Ben & Jerry's – en natuurlijk Bernie

Auteur: Bernard Hammelburg

Wat veertig jaar geleden begon als ijswinkeltje in een oud benzinestation in Vermont is nu uitgegroeid tot een van de bekendste ijsmerken ter wereld.

In het grote Amerika is Vermont, wat je noemt, een dwerg. In de hoofdstad wonen maar 9.000 mensen, en ze spellen de naam nog fout ook: Montpelier in plaats van Montpellier. We kennen de staat natuurlijk van Bernie Sanders, de Democratische senator die het opnam tegen Hillary Clinton. En voor wie wel eens op verpakkingen van voedingswaren kijkt: Ben & Jerry's roomijs, genoemd naar oprichters Ben Cohen en Jerry Greenfield, die in 1978 een ijswinkeltje openden in een oud benzinestation in Burlington.

Dat is, met 43.000 inwoners, trouwens best een pittoresk stadje, met prettige hotels voor wintersporters en leuke kunstgaleries. Maar wat is het ’s winters koud! Ik heb met een collega wel eens een wandeling gemaakt op Lake Champlain, dat tussen Burlington en Port Douglas, in de staat New York, voor een goed deel was dichtgevroren. Wintersport is een enorme inkomstenbron. Vandaar dat Wallace Bertram in 1934 op zijn boerderij in Vermont een grandioos idee had. Hij monteerde een soort katrol aan de motor van een Ford-T, met een touw waaraan skiërs een berg op werden getrokken. En zo werd de skilift geboren.

Vermont wordt vaak de meest homogene staat van Amerika genoemd, omdat er vrijwel uitsluitend blanken wonen. Dat is niet omdat anderen er niet welkom zijn – in sociaal opzicht is het best een vooruitstrevende staat – maar latino’s of zwarte Amerikanen zie je er nauwelijks. Misschien omdat ze geen antivries in hun aderen hebben, want dat heb je er echt nodig.

Het is toeval, maar toch in lijn met het liberale sociale karakter van Vermont: op 31 januari 1940 was Ida May Muller de eerste Amerikaanse burger die een maandelijkse betaling ontving van de Social Security, het equivalent van onze AOW. Wij Nederlanders slaan onszelf graag op de borst vanwege onze sociale voorzieningen, maar wij kennen de AOW pas sinds 1947, dus de Amerikanen waren ons een stevige slag voor. President Franklin Roosevelt had de Social Security wet al in 1935 aangeboden, maar het Congres lag nogal dwars om deze ‘socialistische regeling’ goed te keuren.

Amerika was overigens niet het eerste land met een oudedagsvoorziening, dat was Duitsland. Al in 1881 kwam kanselier Bismarck met een voorstel, dat keizer Wilhelm I in 1889 aan het parlement aanbood. Ook Bismarck werd verweten dat het ‘socialisme’ was. Hoewel Karl Marx pas in 1883 overleed, en het de socialistische leer dus nog vonkelnieuw was, had het kennelijk toen al de status van scheldwoord verworven. Bismarcks commentaar was trouwens grappig: ‘Noem het socialisme, of wat u maar wilt, het maakt mij niet uit.’ Volgens de Bismarck-wet moest je doorwerken tot je 70ste, maar in 1916 werd dat verlaagd naar 65, net als in de VS en Nederland. Het was destijds voor overheden een lucratief model, want gemiddeld haalden de mensen die leeftijd niet eens.

Vermont bracht twee presidenten voort, Chester Arthur en Calvin Coolidge. Arthur, die als vicepresident in 1880 James Garfield opvolgde, zes maanden na diens inauguratie vermoord, diende maar drie jaar en werd door de Republikeinse partij niet genomineerd voor een nieuwe termijn. Net als Gerald Ford, die in 1973 de door het Watergate-schandaal gevelde Richard Nixon opvolgde, was Coolidge dus president zonder ooit te zijn gekozen. Zijn vrouw overleed voordat hij president werd, en als weduwnaar zorgde hij zo goed voor zichzelf dat zijn bijnamen ‘the gentleman boss’ en ‘elegant Athur’ waren. Hij ergerde zich kapot aan het totaal uitgewoonde Witte Huis, en huurde Louis Tiffany in om de ambtswoning om te toveren tot een glitterend paleis.

Calvin Coolidge, president van 1923-1929, vormde in meer dan één opzicht een brug naar het heden. Hij werd als vicepresident beëdigd, toen president Warren Harding tijdens een bezoek aan Californië overleed. In 1924 werd hij herkozen (of beter gezegd: gekozen). In 1928 zag hij af van een volgende termijn. De kwesties waarmee hij te maken kreeg lijken soms gekopieerd uit de krant van nu. In de swingende jaren twintig leek de economie prima te lopen. Coolidge had een hekel aan marktregels, behalve invoerrechten, daar was hij helemaal vóór. Zijn zeer liberale aanpak van ’s lands economie en het ontbreken van regels voor banken, beleggers en de financiële markten waren volgens veel economen de oorzaak van de grote crisis, die onmiddellijk na zijn aftreden, in 1929, losbarstte.

Hij weigerde de Sovjetunie te erkennen, was mordicus tegen het Amerikaanse lidmaatschap van de Volkenbond (voorganger van de Verenigde Naties), en wilde eigenlijk zo min mogelijk banden en verdragen met het buitenland. Onder zijn leiding kwam er een wet die de immigratie uit Oost- en Zuid-Europa een banden legde. Komt ons bekend voor, toch?

Maar in sociaal en moreel opzicht was hij – in elk geval voor die tijd – progressief. Hij bepleitte gelijke rechten voor zwarte Amerikanen, gaf indianen volledige burgerrechten en het recht om het land van hun voorouders te behouden, benoemde zwarte burgers in de ambtenarij, en liet bij sollicitanten nagaan of ze lid waren geweest van de Ku Klux Klan, want daar moest hij niets van hebben. Sociaal progressief, in financieel-economisch opzicht een soort anarchist, en in geopolitieke zin een isolationist. Aan wie doet hij ons denken?


Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen