Langs de Lat26 jun '14 13:29

Column Jeroen Visscher | De sterkhouder wint

Auteur: BNR Webredactie

Zondag tegen Mexico zijn Robin van Persie en Arjen Robben weer de absolute sterkhouders van het Oranje van Louis van Gaal. Maar hoe ver reikt hun invloed?

Toen het Nederlands elftal in 1988 haar enige, internationale prijs won, onderscheidde bondscoach Rinus Michels vijf sterkhouders. Jan Wouters was één van hen. Over zijn rol zegt de oud-international: “Wij zaten vaak met z’n vijven met Michels. Praten over de tegenstander, over hoe wij gingen spelen. Michels vroeg niet veel. Hij gaf ons wel veel verantwoordelijkheid. Maar uiteindelijk was hij wél degene die aangaf: zo gaan we het doen. De vraag ‘Hoe zien jullie het?’ stelde hij zelden.”

Ook in het Oranje van Louis van Gaal spelen zijn sterkhouders een cruciale rol. Zij waren al geruime tijd zeker van het WK door hun excellente kwaliteiten. Sterkhouders zijn een voorbeeld voor de andere spelers, in het veld en buiten het veld. Van Gaal benoemt pas een speler als hij onvoorwaardelijk voor hem kiest. Onvoorwaardelijk uitvoeren van het strategisch plan van Van Gaal. En onvoorwaardelijk topsporter zijn.

Lange tijd behoorden aanvoerder Wesley Sneijder en reserve-aanvoerder Dirk Kuijt tot deze categorie. Maar een gebrek aan vorm en fitheid (Sneijder) of speeltijd (Kuijt) maakte een jaar geleden een einde aan de status van het tweetal. Sindsdien zijn Robin van Persie en Arjen Robben de absolute sterkhouders van Van Gaal. Kevin Strootman had in Brazilië een vergelijkbare rol gespeeld, maar zijn blessure maakte een vroegtijdig einde aan zijn WK.

Invloed?
Blijft over de vraag hoe belangrijk Van Gaal zijn sterkhouders daadwerkelijk laat zijn. In zijn visie zijn de sterkhouders van ‘essentieel belang voor de doorvertaling van de visie van de coach naar de prestaties op het veld’. Maar betekent dat dat Van Gaal dagelijks met Robben en Van Persie praat over de tactiek? En hoe ver reikt de invloed van de sterkhouders vervolgens?

In ons boek ‘Louis van Gaal – Hoe smeed je wereldkampioenen’ vroegen we vijf topcoaches Van Gaal een spiegel voor te houden. En ook in de visie van die topcoaches spelen de sterkhouders een cruciale rol. Zo zegt Robert Eenhoorn: “Ik ben niet iemand van: dán moet ik met de sterkhouders praten, dán moet hij dit en dat. Maar heb ik een speler in het Nederlands team die tien jaar in de MLB heeft gespeeld en acht Golden Gloves heeft gewonnen, dan zou het een beetje raar zijn als we niet zouden vragen hoe hij het ziet.”

Volgens de voormalig honkbalbondscoach probeert een coach altijd door de ogen van een speler situaties te beoordelen. “Maar die speler heeft altijd nog de beste invalshoek. Dus heb jij mensen in je team die het spel goed doorhebben, dan moet je daar naar vragen.”

‘Stukje stof’
Tegelijkertijd moet het begrip ‘sterkhouder’ niet groter worden gemaakt dan het is, stelt Marc Lammers. Sterker nog, tijdens zijn voorbereiding met de Belgische hockeyselectie op het WK wees de bondscoach géén aanvoerder aan. “Bij losse interlands bepaal je twee dagen voor de wedstrijd wie het beste presteert, die is vandaag aanvoerder. Dan heeft hij het afgedwongen. Dat is ook een beloning. Iedereen snapt het ook.”

Lammers wijst op het belang van het team. “Ik ben er niet mee bezig, we willen gewoon de beste zijn.” Volgens hem wordt er te veel aandacht gegeven aan de sterkhouders of iets abstracts al de aanvoerdersband. “Een stukje stof. Maar het gaat om de inhoud. De vraag is of het belangrijk moet zijn. Het is zo ouderwets dat er hiërarchisch gedacht moet worden. De beste teams winnen mét elkaar. En er staat altijd wel een speler op, maar dat hoeft niet de aanvoerder te zijn.”

Miskend
Eenhoorn onderschrijft die visie deels. “Tijdens de laatste WBC hadden wij ook geen captain. Maar we hadden wel ongeveer zeven spelers die belangrijk waren voor het team.” De reden schuilt volgens vooral in het feit dat hij zijn sterkhouders liever niet bekendmaakt aan de rest van het team. “Ik vind het gevaarlijk als je zegt: ‘Ik heb vier dragende spelers.’ Nummer vijf is het misschien ook wel, maar ik heb een getal neergezet, waardoor nummer vijf zich miskend voelt. Want hij ziet geen verschil tussen de andere vier en hem.”

Joop Alberda – bondscoach van de gouden volleyballers van 1996 – sprak onder meer één op één met zijn sterkhouders. Daarin hield hij rekening met de wijze waarop voorganger Arie Selinger met de sterkhouders sprak. “Hij had de neiging heel lang te praten met die jongens.” En dus kortte Alberda zijn gesprekken in. “Maar zelfs toen hadden ze nog het gevoel dat het lange besprekingen waren. Terwijl we het bijna altijd tot 25 minuten reduceerden, omdat die jongens zich toch niet zo lang konden concentreren.”

Publieke afgang
Ben Verwaayen, oud-topman van KPN en BT, gelooft niet in het werken met sterkhouders. “Nee, dat is een zeer theoretisch verhaal. Want de sterkhouder van vandaag is misschien niet de sterkhouder van morgen. Er kan ook een soort doem aan kleven. Want als ik het morgen ineens niet meer ben, is dat een publieke afgang.”

“Niet doen en zeker niet in zo’n transparante omgeving als voetbal. De aanvoerder is de enige uitzondering. Maar dat is geen sterkhouder, dat is een functie.”

Dromer
Het woord is aan de sterkhouders zelf. Volleyballer Peter Blangé was één van hen gedurende de Olympische Spelen van 1996. “Het was wel duidelijk dat het om Ron Zwerver en mij ging. Omdat wij beiden essentieel waren in de aanwezigheid van het team. In ieder geval om ervoor te zorgen dat de hiërarchie van het team duidelijk was.”

Blangé wijst daarbij op het belang van de verschillende persoonlijkheden van de twee sterkhouders. “Ron en ik zijn volstrekt verschillend. Ron als een idealist: de dromer op weg naar goud. En ik de sterke rationalist met een mentaliteit van eerst zien en dan geloven. Over onze rol spraken we onderling overigens niet.”

Oud-voetballer Wouters wijst tot slot opnieuw op het EK van 1988. De ‘macht’ van de sterkhouders kwam destijds vooral tot uiting in de totstandkoming van een gezamenlijk warming-up. “De PSV’ers in de selectie waren gewend een individuele warming-up te doen. En wij – als spelers van Ajax – deden dat als groep. Dat werd dan besproken en opgelost met de sterkhouders. Eerst een korte, gezamenlijke warming-up, het vervolg was individueel.”

------
 

Jeroen Visscher is adviseur en partner van organisatieadviesbureau Turner. Samen met collega Jurgen Frumau schreef hij het boek ‘Louis van Gaal – Hoe smeed je wereldkampioenen?’: een uitgekiende analyse van alle interventies van Van Gaal vanaf zijn eerste werkdag als bondscoach.

 


Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen