Herbert Blankesteijn6 sep '12 11:05Aangepast op 6 sep '12 11:24

Dit waren de dopingtrucs van Lance Armstrong

Auteur: Herbert Blankesteijn

In zijn boek The Secret Race dat gisteren is verschenen, beschrijft ex-renner Tyler Hamilton in detail hoe in de ploeg van Lance Armstrong de dopingcontroleurs werden misleid.

Het boek is geschreven door journalist Daniel Coyle, die eerder een boek publiceerde over Armstrong zelf (Lance Armstrong's War). Coyle heeft voor The Secret Race behalve Hamilton acht van zijn vroegere ploeggenoten geïnterviewd om zijn verhaal te verifiëren, plus een groot aantal familieleden, artsen en ander entourage.

Hamilton kwam in 1995 bij US Postal. Hij schetst hoe vanaf 1996 de ploeg wedstrijden reed in Europa en daar werd verpulverd door renners die over magische krachten leken te beschikken. Hij noemt Bjarne Riis met name, die in 1993, op 27-jarige leeftijd, van een middelmatige renner zomaar opeens een wereldtopper werd. Hij noemt ook Andy Hampsten, een fervent tegenstander van doping en winnaar van de Giro in 1988. Hampsten was na 1990 geen winnaar meer, hoewel hij meetbaar dezelfde vermogens trapte als vroeger. Hampsten wordt geciteerd: amfetaminen maakten renners gek en anabolen bezorgden je blessures, dus het voordeel daarvan viel wel mee. Maar tegen epo, de nieuwe doping van midden jaren 90, viel niet te concurreren. Je kreeg meer rode bloedlichaampjes, kon daardoor meer zuurstof naar de spieren brengen en reed harder. Veel harder.

Bij US Postal ontstond een pikorde, waarbij aan de beste renners witte papieren zakken werden uitgedeeld met voor Hamilton onbekende inhoud. Pas na meer dan twee jaar meerijden in de staart van het peloton werd hij goed genoeg bevonden om nóg beter te worden en werd hij ingewijd in de geheimen van de performance enhancing drugs. Toen de middelen hem door de teamarts werden voorgehouden aarzelde hij geen moment. Hij had al zoveel in zijn carrière geïnvesteerd en wist dat hij mee kon komen met de top, als hij maar deed wat zichtbaar iedereen al deed.

Eerst kwam testosteron. Dat bevorderde het herstel en bestreed de vermoeidheid van na een wedstrijd. Je moest het twee tot drie dagen vóór een volgende race nemen, dan was het weer uit je lichaam.

Cortisonen hadden een vergelijkbaar effect. Je kon ze rustig gebruiken want ze waren toegestaan op doktersvoorschrift bij bepaalde blessures. Hamilton noemt verschillende gevallen, onder andere van Armstrong in 1999, waarbij een renner positief werd getest op cortisonen en de wielerunie UCI een doktersattest accepteerde dat achteraf was gemaakt.

Dan had je dus epo. Tot 2000 was het makkelijk: het was niet te detecteren dus kon je het altijd nemen.

Tussendoor had de US Postalploeg te maken met de Tour Dopage van 1998 en de nasleep daarvan. US Postal had niet te maken met huiszoekingen in hotelkamers en had wat dat betreft geluk. In de Tour van 1999 was duidelijk dat epo niet ontdekt kon worden door de dopingcontroles maar wel door de Franse politie. Daarom ontwikkelde US Postal een systeem waarbij een motorrijder de renners hun epo kwam brengen. Het bracht de motorrijder - Armstrongs tuinman Philippe Maire - op de rand van de uitputting maar bezorgde Armstrong zijn eerste Tourzege.

Je moest in die tijd wel uitkijken met je hematocrietgehalte. Als dat de 50% overschreed, mocht je 'om gezondheidsredenen' niet aan wedstrijden deelnemen. Als de teamarts dit constateerde bij de renners van US Postal, deden ze aan 'watering down.' Een hoeveelheid water met zout, intraveneus of door te drinken, en je was weer het heertje.

Vanaf 2000 waren er wel tests voor epo. Bovendien kwamen er onverwachte dopingcontroles. De enige zekerheid die een renner had, was dat er 's nachts geen controles waren. Armstrongs dokter Michele Ferrari vond met soepel gemak een oplossing. In plaats van nu en dan een epo-injectie in het onderhuidse vet - waarvandaan het langzaam door het lichaam werd opgenomen - gingen de renners werken met microdoses. Dat waren veel  kleinere hoeveelheden epo die dagelijks of bijna dagelijks werden ingespoten, maar dan precies in een ader. De volgende ochtend had de epo zijn werk gedaan en was het uit het lichaam verdwenen.

De renners moesten wel een nieuwe vaardigheid leren: spuiten als een junk, recht in een ader. Spoot je mis, dan kwam de epo alsnog onder de huid terecht en liep je de kans 'positief' te testen. Hamilton zegt dat zijn ploeggenoten en hij allemaal dezelfde soort littekens hebben in hun ellebogen, 'als een tatoeage van een geheime broederschap.'

De onverwachte dopingcontroles beheersten het leven van Hamilton en zijn ploeggenoten. Hamilton vertelt hoe hij na trainingsritten met de sleutel in de hand kwam aanfietsen om zo kort mogelijk zichtbaar voor de deur te staan. Was hij eenmaal binnen, dan kon hij pretenderen niet thuis te zijn. Werd er aangebeld dan deed zijn vrouw open, nadat ze had gevraagd: 'Ben je goed?' Was dat niet het geval dan kreeg de controleur te horen dat Tyler niet thuis was. Een enkele keer lag Hamilton, die 'niet goed' was, plat op de keukenvloer om niet zichtbaar te zijn door het raam. Een andere keer werd hij via zijn mobieltje gewaarschuwd en nam hij in zijn eigen woonplaats een hotel, om niet te hoeven thuiskomen.

In de Tour van 2000 gebruikten Armstrong en Hamilton bovendien bloedtransfusies met eigen bloed, dat vier weken eerder was afgenomen. Volgens Hamilton was dat de beslissende factor in de strijd tussen Armstrong en Pantani op de Ventoux. Armstrong was daar duidelijk veel sterker maar liet Pantani tot diens ergernis opzichtig expres winnen.

De transfusies introduceerden wéér een bocht waarin de Postal-renners zich moesten wringen. Ze kenden het begrip 'gloeitijd,' dat is de tijd dat een dopingpreparaat meetbaar in je lichaam zit. Ze moesten altijd zorgen dat ze niet 'gloeiden' tijdens races en bij andere controles. Nu ze aan bloedtransfusies deden, moesten ze bovendien zorgen dat ze niet 'gloeiden' als er bloed werd afgenomen voor een toekomstige race. Anders zou je in een wedstrijd positief testen door het ingebachte bloed.

Vanwege dit administratieve gedoe stelt Hamilton dat de dopingtests niet zozeer testten op doping, maar op discipline. Als je maar goed nadacht en je agenda bijhield, kon je de controles omzeilen. Renners die werden gepakt, hadden gewoon fouten gemaakt.

Na de Tour van 2001 vertrok Hamilton bij Armstrong. Zijn verhaal is gedetailleerd en draagt het stempel van een gereputeerde journalist. Met zulke getuigen in de coulissen is het geen wonder dat Lance Armstrong het niet op een rechtszaak heeft willen laten aankomen.

(Mogelijk later onthullingen over de rest van Hamiltons carrière.)

Gerelateerde artikelen